Stap 1: verzamel informatie over Verzet

Iemands gedrag kan een vorm van verzet zijn tegen de zorg die jij biedt. En in het geval van verzet is de zorg onvrijwillig. Vraag jezelf daarom af: weet je of de cliënt zich verzet?

  1. Ja, zij verzet zich duidelijk. Dat kun je zien doordat het gedrag van de cliënt anders is dan normaal in vergelijkbare situaties.Mevrouw Visser laat zich heel goed helpen aan de wastafel, maar schreeuwt moord en brand en weert actief af, als de verzorgenden haar willen douchen.
  2. Nee, hij/zij reageert afhoudend, maar dat hoort bij zijn/haar bekende gedragspatroon. Dat wil zeggen dat het gedrag van de cliënt lijkt op verzet, maar dat het past binnen het dagelijkse gedragspatroon dat hij/zij laat zien. Twee voorbeelden:Mevrouw Jansen wil ’s middags niet aan tafel komen zitten voor het eten, zij wil dan naar huis, want ‘de kinderen komen van school en dan moet zij thuis zijn’.
    Telkens wanneer de verpleegkundige meneer de Jong wil prikken voor zijn bloedsuiker, trekt hij even zijn arm weg en reageert hij met enige schrik.
    Belangrijk: soms is het vertonen van afhoudend of afwerend gedrag te verklaren vanuit de dementie van deze cliënt. Het afwerende gedrag van meneer De Jong kan ontstaan doordat hij, vanwege zijn dementie, de situatie telkens als nieuw ervaart. Begrijpt meneer De Jong niet wat er gebeurt, dan reageert hij altijd afwerend; zo kennen de verzorgenden hem. Zijn gedrag is dus niet op te vatten als verzet. Bij mevrouw Jansen hangt het afhoudende gedrag nauw samen met het feit dat zij als gevolg van haar dementie in het verleden leeft. Bij mensen met dementie is het belangrijk dat je het gedrag vergelijkt met hoe deze persoon was in de afgelopen periode, niet hoe hij was vóór de dementie
  3. Nee,hij/zij verzet zich niet (zichtbaar). Je kunt niet altijd zien dat een cliënt zich verzet. Soms merk je niets, terwijl iemand het toch niet eens is met de zorg. Bijvoorbeeld in deze situaties:
    1. Iemand is gewend geraakt aan de zorg en heeft zijn verzet opgegeven.
      Meneer Van Rossum draagt elastische kousen. Als hij die niet draagt, heeft hij snel een open wond. Maar het is elke dag een gevecht om de kousen aan te krijgen. Meneer Van Rossum reageert dan door te schoppen. De laatste tijd doet hij dit niet meer. Hij vloekt wel als de verzorgende de kousen aan komt trekken, maar laat dit toch toe.
    2. Zorgverleners kennen het gedrag van de cliënt niet goed, waardoor ze het verzet niet herkennen.
      Mevrouw De Bruin wordt ’s middags angstig en staat telkens op uit haar stoel, om vervolgens weer te gaan zitten. Een nieuwe collega zet een cd op met de bedoeling mevrouw de Bruin rustiger te krijgen. Verzorgende Nienke legt haar nieuwe collega uit dat mevrouw de Bruin dit altijd doet als zij oververmoeid raakt. De drukte van de woonkamer is dan te vermoeiend voor mevrouw de Bruin; muziek maakt het nog drukker. Nienke vertelt haar collega dat mevrouw de Bruin rustig wordt als zij naar bed wordt gebracht.
    3. De cliënt uit zijn verzet pas later. Soms kun je het gedrag achteraf koppelen aan een eerdere situatie, maar soms niet.
      Mevrouw Van Zwieten, die normaal gesproken hele verhalen vertelt aan de verzorging, zit vanmorgen stilletjes aan de ontbijttafel. Verzorgende Janneke begrijpt niet waarom. Later hoort zij van haar collega dat mevrouw die ochtend erg angstig was bij het douchen.
Verdieping

Om de reacties van een cliënt goed te duiden als meer of minder negatief/afwerend, kan het behulpzaam zijn om het onderscheid te gebruiken uit de gedragscode verzet (Boersma et al, 1999). Hierin maakt men onderscheid tussen ‘verzet’ en ‘gedrag passend bij situaties die afwijken van de dagelijkse routine’.

Dit onderscheid is als volgt gedefinieerd: (afwerend) gedrag is pas verzet “indien het gedrag duidelijk afwijkt of zich excessiever manifesteert dan men van de betrokkene gewoon is in van de normale dagelijkse routine afwijkende situaties.”